Vandaag ging in de eindexamenklassen de telefoon. Voor de meesten goed nieuws. Maar in elke klas zitten er een paar voor wie het anders liep, en een deel van hen heeft nog precies één strohalm: de herkansing in het tweede tijdvak, eind juni. Eén vak, één poging, ongeveer twee weken om je voor te bereiden. Wie dat haalt, mag na de zomer door. Wie het niet haalt, doet het jaar over of vertrekt zonder diploma.
Voor zo'n laatste kans zou je het beste leermiddel willen dat er bestaat. Dat leermiddel is er ook. Het is het examen dat de leerling drie weken geleden zelf maakte. Daarin staat per vraag vastgelegd waar de punten zijn blijven liggen: welk domein, welk vraagtype, welke denkstap. Geen oefenboekje kan daar tegenop, want dit is geen inschatting van wat de leerling moeilijk vindt. Het is bewijs.
En wat doen we ermee? Bijna niets.
In de praktijk krijgt de leerling een cijfer en, als het meezit, een kwartier inzage onder toezicht. Het werk zelf blijft op school, in een kast, omdat het bewaard moet worden. De voorbereiding op de herkansing wordt daarmee: het hele vak nog een keer doorwerken, op hoop van zegen. Terwijl twee weken precies genoeg is voor het omgekeerde: niet alles herhalen, maar gericht repareren wat aantoonbaar misging. Wie op het eerste tijdvak struikelde over bronvragen met statistiek, moet die twee weken aan bronvragen met statistiek besteden. Dat klinkt logisch. Het gebeurt zelden.
De vakdocent wil wel, maar wanneer dan?
De aangewezen persoon om die foutenanalyse te maken is de vakdocent. Die heeft het werk nagekeken en weet als geen ander wat er aan de hand is. Alleen: het is juni. Rapportvergaderingen, overgangsbesluiten, boekenlijsten, afsluiting, en voor examendocenten kwam daar net de eerste én tweede correctie overheen. Herkansers begeleiden staat in geen enkele jaartaak. Het gebeurt dus alleen waar een docent het uit eigen zak betaalt, in avonduren die er officieel niet zijn. We hangen de laatste kans van een leerling op aan liefdewerk.
Dit hadden we kunnen zien aankomen
En dan het ongemakkelijke deel. Deze leerling maakte in zes jaar honderden toetsen. Al die toetsen samen vormen een dossier dat precies laat zien waar het structureel knelt. Maar wij bewaren van elke toets maar één ding: het cijfer. En een cijfer is een samenvatting die de bruikbare informatie weggooit. Een 6,2 vertelt niet dat het rekenwerk al drie jaar wankel is en de begripsvragen juist prima gaan. Twee leerlingen met dezelfde 6,2 kunnen compleet verschillende problemen hebben.
Hadden we per vraag vastgelegd wat er goed en fout ging, per domein, per vaardigheid, dan was de onvoldoende van vandaag in november al zichtbaar geweest als een dalende lijn in één specifiek deelgebied. Dan was er in de winter bijgestuurd, met maanden de tijd, in plaats van nu, met twee weken. Voorspellen is hier geen tovenarij. Het is optellen wat we nu weggooien.
Daarom bouwen we Corrigo zo dat elke beoordeling per vraag bewaard blijft en per leerling optelt tot een beeld over toetsen heen. Niet om de herkanser van vandaag te redden, daarvoor is het te laat. Wel om de herkanser van volgend jaar in november op te merken, wanneer er nog tijd is om er iets aan te doen.
Voor nu: gun elke herkanser één uur met het eigen examenwerk en iemand die kan duiden wat erin staat. Het is het meest renderende studie-uur van die hele twee weken.