Ga naar inhoud

2 september 2026

Corrigo redactie

Delen op LinkedIn

Het lerarentekort daalt. Waarom merken docenten daar zo weinig van?

De roosters zijn rond. Met die zin openen veel schoolleiders deze weken het schooljaar. De uitspraak klopt vaker dan in voorgaande jaren: voor het derde jaar op rij daalt het lerarentekort in het voortgezet onderwijs. Wie alleen naar de metingen kijkt, zou verwachten dat docenten daar iets van merken: ruimte in de agenda, een taak die eindelijk over meer schouders kan worden verdeeld, een teamvergadering die niet langer over noodverbanden gaat.

Vraag ernaar in de docentenkamer en je hoort een ander verhaal. Daar is de eerste week van het schooljaar begonnen zoals de laatste eindigde: met een agenda die al vol zit voordat er één toets is afgenomen. Het tekort daalt, maar niemand merkt er iets van.

Dat lijkt tegenstrijdig, maar is het niet. Het verschil zit in de manier waarop het tekort wordt gemeten. Wie daarnaar kijkt, begrijpt waarom de werkdruk dit jaar niet vanzelf daalt — en waar je als team wél iets kunt terugwinnen.

Wat de cijfers zeggen

Eerst de feiten, want de daling is reëel. In de jaarlijkse tekortmeting van Centerdata bedroeg het tekort in het voortgezet onderwijs in oktober 2025 3,4 procent van de werkgelegenheid: ruim tweeduizend fte. Een jaar eerder was dat nog 5,1 procent; het jaar daarvoor 5,8 procent. Dat is geen afrondingsverschil, maar een daling van ruim een derde in twee jaar.

Er is dus reden voor voorzichtige tevredenheid, en die tevredenheid klinkt ook door. Toch is het belangrijk om te kijken naar wat er precies wordt gemeten. Een tekortmeting telt wat scholen als tekort opgeven: een openstaande vacature, een les die uitvalt of een gat dat iemand durft te benoemen. Daar begint het te schuren, want een groot deel van het tekort bereikt dat meetmoment nooit.

Het tekort dat geen vacature wordt

Op de meeste scholen verloopt het zo. Een collega valt uit of een vacature blijft maanden onvervuld. De school doet wat scholen dan doen: ze dicht het gat. Een zittende docent breidt de aanstelling uit van 0,8 naar 0,9 fte, twee kleine klassen worden samengevoegd en de ontwikkeltijd uit het taakbeleid wordt tijdelijk geschrapt. Het rooster is rond, de lessen gaan door en er staat geen vacature meer open.

Statistisch gezien is het tekort dan verdwenen. Het is niet opgelost, maar onzichtbaar geworden. Het werk is er nog steeds, alleen heeft het geen naam meer. Het heet voortaan overwerk, en overwerk telt in geen enkele tekortmeting mee.

Daarom spreken de daling en de hoge werkdruk elkaar niet tegen. Een deel van de daling is echte verbetering: er zíjn meer mensen voor de klas gekomen, de zijinstroom heeft effect en regio's lopen hun achterstand in. Bij een ander deel is sprake van een administratieve verschuiving: het tekort is niet verdwenen, maar van kolom gewisseld — van "vacature" naar "extra uren voor het zittende team". In de statistiek ziet de situatie er gunstiger uit; op dinsdagavond niet.

Nakijkwerk als stille buffer

Vervolgens is de vraag waar die extra uren terechtkomen, want ze landen niet gelijkmatig bij de verschillende taken. Een lesuur ligt vast: het staat in het rooster, er zitten dertig leerlingen te wachten en uitval valt op. Voorbereiding is flexibeler: die moet gebeuren, maar kan desnoods korter. Nakijkwerk is nog gemakkelijker te verschuiven. Het staat niet in het rooster, er zit op een vast tijdstip geen klas op te wachten en de enige deadline is vaak de belofte aan die klas.

Wie er een klas bij krijgt, krijgt er niet alleen lesuren bij. Elke toets van die klas moet ook worden nagekeken, terwijl die uren doorgaans nergens afzonderlijk zijn ingepland. Nakijktijd is zelden ruim begroot. Nakijken vormt de grootste onbetaalde post in het werk van docenten en juist die tijd vangt de klap op wanneer een school het tekort intern oplost. De les kan niet wachten; de stapel wel. Die schuift door naar de avond en vervolgens naar het weekend. In november vraagt iemand zich dan af waarom de feedback op de eerste toetsweek pas na de herfstvakantie kwam.

Zo wordt een deel van het tekort opgevangen: niet met extra budget, maar in de meest rekbare uren van de mensen die er nog zijn. Omdat die uren onzichtbaar blijven, kan het beeld ontstaan dat het beter gaat. De cijfers lijken dat immers te bevestigen.

De prognose: de tekorten lopen weer op

Er is nog een reden om de vlag niet uit te hangen. Volgens de ramingen lopen de tekorten in het voortgezet onderwijs de komende jaren opnieuw op. De leerlingaantallen ontwikkelen zich ongunstig ten opzichte van de instroom en in de tekortvakken — de talen, wiskunde en de natuurwetenschappen — is de aanwas structureel te klein. De huidige daling is dus eerder een adempauze dan een trendbreuk.

Daarom is het des te belangrijker wat een school met deze adempauze doet. Ze kan de gewonnen ruimte ongemerkt vullen met nieuwe taken en ambities — daaraan is immers nooit gebrek. Ze kan er ook voor kiezen de werkdruk daadwerkelijk te verlagen. Dat gebeurt alleen als iemand de verborgen uren eerst zichtbaar maakt.

Wat Corrigo doet — en niet doet

Corrigo is juist gebouwd om het nakijkwerk te verlichten: de taak die het gemakkelijkst naar de avond en het weekend verschuift. Voor het nakijken upload je een klassenset als één PDF. De AI leest het handschrift en doet per vraag een beoordelingsvoorstel: punten met een toelichting, gebaseerd op jouw correctiemodel. Jij controleert, stuurt bij en beslist. Het mechanische werk — ontcijferen, optellen en dezelfde fout voor de twintigste keer aanstrepen — wordt grotendeels overgenomen; het vakinhoudelijke oordeel blijft waar het hoort.

Daarmee lost Corrigo het bredere werkdrukprobleem uiteraard niet op. Als een school elke gewonnen minuut meteen weer aan iets anders besteedt, verschuift de druk alleen maar naar de volgende rekbare taak. Corrigo maakt die onzichtbare tijdpost kleiner en meetbaar. Zodra nakijktijd een concreet getal wordt, kun je er als team eindelijk over praten. Hoeveel tijd dat in de praktijk kan opleveren, hebben we eerder beschreven.

Wat je deze maand kunt doen

Het schooljaar is één week oud. Dit is het moment waarop taakverdelingen nog kunnen worden aangepast. Hieronder staan vier maatregelen, van eenvoudig tot ingrijpend.

  1. Tel je klassen, niet alleen je lesuren. Wie dit jaar een extra klas heeft gekregen, heeft er per toetsronde ook nakijkuren bij gekregen die in geen enkel taakbeleid staan. Maak die rekensom één keer expliciet — aantal toetsen maal klassengrootte maal aantal minuten — en neem de uitkomst mee naar het gesprek over je taken.
  2. Benoem het gat. Een vacature die intern is "opgelost" met extra uren en een samengevoegde klas, is niet vervuld. Zeg dat hardop in de sectie en tegen de schoolleiding. Anders geldt jouw overwerk volgend jaar als bewijs dat het tekort meevalt.
  3. Plan de nakijkpiek zoals je de toetsweek plant. De toetsweek staat maanden van tevoren vast; de nakijkweek erna ontbreekt in vrijwel elke jaarplanning. Neem die week op in de planning, behandel hem als een vaste periode en plan er geen studiedag of reeks vergaderingen in.
  4. Kies wat je grondig nakijkt. Niet elke toets vraagt om commentaar bij iedere vraag. Spreek per periode af welke toetsen een volledige beoordeling krijgen en welke je sneller beoordeelt. Een bewuste keuze vooraf is eerlijker dan een noodgreep uit vermoeidheid achteraf.

Veelgestelde vragen

Daalt het lerarentekort in het voortgezet onderwijs echt?

De gemeten tekorten dalen al drie jaar op rij: van 5,8 procent van de werkgelegenheid in 2023 via 5,1 procent in 2024 naar 3,4 procent — ruim tweeduizend fte — in de meting van oktober 2025 (Centerdata). Die daling is reëel. De meting telt echter wat scholen als tekort opgeven. Een tekort dat intern is opgevangen met extra uren van zittende docenten, voelt op de werkvloer niet als een daling.

Wat is het verborgen lerarentekort?

Dat is het deel van het tekort dat nooit tot een vacature leidt. Scholen dichten gaten voordat ze zichtbaar worden: zittende docenten krijgen extra uren, klassen worden samengevoegd en ontwikkeltijd wordt geschrapt. Het rooster is rond en de statistiek oogt gunstig, maar het werk is niet verdwenen. Het is verplaatst naar mensen die al een volle baan hadden.

Waarom stijgt de werkdruk als het tekort daalt?

Omdat zittende docenten het tekort opvangen. Elke extra klas brengt niet alleen lesuren mee, maar ook voorbereiding, oudercontact en vooral nakijkwerk. Lesuren staan in het rooster en zijn zichtbaar; het nakijkwerk erachter staat nergens en groeit ongemerkt mee. Zo kan het tekort op papier dalen terwijl de avonden voller worden.

Wordt het lerarentekort de komende jaren kleiner?

De prognoses wijzen juist op een stijging. In de tekortvakken — de talen en de exacte vakken — is de instroom nog altijd te klein. Naar verwachting lopen de tekorten vanaf 2026 weer op. De huidige daling is dus geen uitgemaakte zaak, maar eerder een adempauze.

Kan AI de werkdruk van docenten echt verlagen?

Bij het mechanische deel wel. Nakijken is de grootste post die met extra klassen meegroeit: handschriften lezen, punten optellen en dezelfde fout voor de twintigste keer aanstrepen. AI kan dat werk grotendeels overnemen, met de docent als controleur en eindbeslisser. Wat AI niet kan oplossen, is een school die de gewonnen tijd meteen weer aan extra taken besteedt.

Het lerarentekort daalt, en dat mag worden gezegd. Maar zolang een deel van die daling bestaat uit werk dat van een vacature naar een avond is verschoven, moeten we aan het begin van dit schooljaar niet alleen vragen of de cijfers kloppen. We moeten vooral vragen wie het werk draagt.