Het is eind augustus. Ergens in het land zit een sectie bij elkaar om het toetsplan voor dit jaar vast te stellen. In het document dat op tafel ligt staat het woord formatief drie keer. Er is een formatieve toets in periode één, een formatief moment halverwege periode twee, en er staat een zin over een cultuur waarin fouten mogen.
In januari telt alles mee.
Dat is geen kwade wil en ook geen slordigheid. Het is de voorspelbare uitkomst van een afspraak waarvan de rekening nooit is betaald. En het begint met een onderscheid dat iedereen kan opdreunen en bijna niemand aanhoudt.
Het verschil, zoals het bedoeld is
Summatief betekent: je velt een oordeel over wat iemand op dit moment kan, en dat oordeel ligt vast. Het is een momentopname met gevolgen — voor het rapport, de overgang, het diploma.
Formatief betekent: je haalt informatie op om het leren bij te sturen, terwijl het leren nog loopt. De uitkomst is geen eindpunt maar invoer voor je volgende les.
Let op wat hier niet staat. Er staat niets over de vraagvorm, niets over open of gesloten, niets over of er een cijfer onder mag. Het verschil zit niet in de toets. Het verschil zit in wat er daarna gebeurt. Dezelfde toets, dezelfde vragen, dezelfde leerlingen: gaat de uitslag het cijferboek in, dan was hij summatief. Verandert er iets aan de volgende les, dan was hij formatief. Doe je allebei, dan heb je een toets die twee dingen tegelijk moet en er meestal geen van beide goed doet.
Drie manieren waarop het in de praktijk verdampt
Eén: de formatieve toets die stiekem meetelt. Hij heet formatief, maar hij weegt mee voor tien procent. Of hij telt niet mee, maar hij gaat wel in Magister, en in maart zegt een mentor tegen ouders: kijk, hier zag je het al aankomen. Leerlingen rekenen dat feilloos uit. Zodra een uitslag gevolgen heeft, gedragen ze zich alsof het een proefwerk is — inclusief de spanning en de risicomijding die je nou juist wilde vermijden. Je hebt de naam veranderd en verder niets.
Twee: de formatieve toets die niet wordt nagekeken. De leerlingen maken hem, hij verdwijnt in een tas, en twee weken later gaat de klas verder met het volgende hoofdstuk. Er is geen informatie opgehaald, dus er is niets bijgestuurd. Dit is de meest voorkomende variant en ook de eerlijkste: er is gewoon geen tijd geweest. Maar noem het dan geen formatief toetsen. Het was een bezigheid.
Drie: formatief als bezuiniging op feedback. Dit is de vervelendste. "We geven geen cijfer" wordt in de praktijk "we geven niets". De leerling levert werk in en krijgt een vinkje terug, of een smiley, of de mededeling dat het de goede kant op gaat. Een cijfer is armoedige informatie, maar het is tenminste informatie. Een smiley is minder dan een zes.
Waarom dit een rekenprobleem is, geen didactisch probleem
Hier wordt het ongemakkelijk. Formatief werken is niet lichter dan summatief werken — het is zwaarder. Een cijfer zetten kost seconden. Opschrijven wat een leerling precies mist en wat er dus moet gebeuren, kost minuten, per leerling, per toets. Vermenigvuldig dat met dertig leerlingen en vijf klassen en je begrijpt waarom het sneuvelt.
En anders dan bij een cijfer is er niemand die je eraan houdt. Een ontbrekend cijfer valt op in de administratie. Ontbrekende feedback valt nergens op. Dus als de weken vollopen — en ze lopen vol — is dit het eerste wat wegvalt. Niet omdat docenten er niet in geloven, maar omdat het het enige is dat je kúnt laten vallen zonder dat er een systeem gaat piepen.
Zo is formatief toetsen op veel scholen ingevoerd: als visie, in een document, zonder dat er ergens nakijktijd is bijgekomen. Dat is niet invoeren. Dat is opschrijven. En het onderwijs heeft er inmiddels een reflex bij ontwikkeld die je in elke docentenkamer hoort: ja, formatief, mooi hoor, maar wanneer dan.
Wij zijn niet neutraal in deze discussie, want dit is precies waar wij ons mee bemoeien. Nakijken is met afstand de grootste onbetaalde post in het werk van een docent, en het hangt aantoonbaar samen met de burn-outcijfers in het vo. Elk beleid dat méér nakijkwerk vraagt zonder tijd te leveren, is een beleid dat op papier blijft.
De toets die je twee keer gebruikt
De praktische uitweg is minder groots dan de visiedocumenten, en hij werkt wel.
Neem de toets die je toch al afneemt. Die is summatief, en dat is prima — er moet een oordeel komen. Maar diezelfde toets bevat, voordat je hem tot een cijfer optelt, een gedetailleerd beeld van wat er per vraag misging. Vraag zeven ging bij zeventien van de dertig leerlingen fout, en niet zomaar fout: op dezelfde manier fout. Dat is geen cijfer, dat is een lesplan.
Het verschil tussen formatief en summatief zit dan niet in een aparte toets die je erbij moet verzinnen, maar in de vraag of je naar dat tussenniveau kijkt voordat je optelt. En of je er binnen een week iets mee doet, want daarna is de klas verder en is het weer geschiedenis geworden.
Dat is ook meteen de eerlijke test voor je eigen toetsplan. Loop de formatieve momenten erin langs en stel per moment één vraag: wat verandert er aan mijn volgende les als de uitkomst tegenvalt? Kun je die vraag niet beantwoorden, dan staat er een woord waar een handeling had moeten staan.
Wat wij eraan doen, en waar we staan
Corrigo kijkt na, en dat is niet toevallig de plek waar deze knoop zit. Bij het nakijken zelf ontstaat per vraag en per leerling een oordeel — bij honderden vragen tegelijk. Op de meeste scholen wordt dat direct opgeteld tot één getal en verdwijnt de rest. Wij bewaren die tussenlaag en laten hem zien: per vraag hoe de klas ervoor staat, waar de spreiding groot is, en welke fout zo vaak terugkomt dat het om herinstructie vraagt in plaats van om differentiatie. Daarnaast krijgt elke leerling een toelichting per vraag, in gewone taal, ook als er geen cijfer onder komt.
Wat het niet is: een knop waarmee formatief werken vanzelf gebeurt. De beslissing om je volgende les te veranderen is en blijft van jou, en die kost nog steeds moed en tijd. Wat wij eraf halen is het deel waar het in de praktijk op stukloopt — de avonden die nodig zijn om dat beeld überhaupt boven tafel te krijgen. Wie formatief wil werken, moet eerst weten wat er misging. Dat is de stap die we willen wegnemen.
Wat je deze maand kunt doen
Vijf dingen, oplopend in moeite.
- Zoek in je toetsplan het woord formatief op. Zet achter elk moment wat er verandert als de uitkomst tegenvalt. Waar dat leeg blijft, staat een intentie en geen plan.
- Kies per toets één van de twee. Meetellen of bijsturen. De tussenvorm, meetellen voor tien procent, levert de nadelen van allebei en de voordelen van geen van beide.
- Zeg het hardop tegen je klas. "Dit cijfer telt niet mee, en ik ga hier volgende week iets mee doen." Leerlingen geloven pas dat iets formatief is als ze het bewijs zien in de les erna.
- Kijk één keer naar het vraagniveau voordat je optelt. Pak je eerstvolgende toets en noteer de drie vragen die het slechtst gingen. Dat kost tien minuten en is meer sturing dan een heel visiedocument.
- Vraag in de sectie wat het mag kosten. Formatief werken zonder nakijktijd is een opdracht die niemand kan uitvoeren. Dat gesprek is ongemakkelijk, en het is het enige gesprek dat er echt toe doet.
Veelgestelde vragen
Wat is het verschil tussen formatief en summatief toetsen?
Summatief betekent: je velt een oordeel over wat een leerling op dit moment kan, en dat oordeel ligt vast. Formatief betekent: je haalt informatie op om het leren bij te sturen, terwijl het leren nog loopt. Het verschil zit dus niet in de toets zelf en ook niet in de vraagvorm. Dezelfde toets kan allebei zijn. Het verschil zit in wat er daarna gebeurt: gaat de uitkomst het cijferboek in, of gaat er iets veranderen aan de volgende les.
Mag een formatieve toets meetellen voor het rapport?
Zodra hij meetelt, is hij summatief. Ook als hij maar voor tien procent meeweegt en ook als er formatief boven staat. Leerlingen rekenen feilloos: als een uitslag gevolgen heeft, gedragen ze zich alsof het een proefwerk is, met alle spanning en risicomijding van dien. Een toets die zowel informatie moet opleveren als een oordeel moet vellen, doet meestal geen van beide goed. Kies per toets welke van de twee het is, en zeg dat er hardop bij.
Is een formatieve toets hetzelfde als een oefentoets?
Nee, en dat is het meest gemaakte misverstand. Een oefentoets zonder opvolging is alleen een bezigheid. Formatief wordt hij pas als jij eruit haalt wat de klas mist en daar binnen afzienbare tijd iets mee doet: herinstructie, een andere uitleg, een aangepaste volgende les. Een oefentoets die je niet nakijkt of waar je niets mee doet, levert geen informatie op en is dus per definitie niet formatief.
Kost formatief werken meer tijd dan gewoon een cijfer geven?
Ja, en dat is de reden dat het zo vaak sneuvelt. Een cijfer is een getal en een getal zetten kost seconden. Bruikbare informatie per leerling of per vraag opschrijven kost veel langer, en het levert geen enkele administratieve verplichting op waar iemand je aan houdt. Wie formatief werken invoert zonder daar nakijktijd bij te leveren, voert het in feite niet in. Dat is geen didactisch probleem maar een rekenprobleem.
Kan AI helpen bij formatief toetsen?
Bij het duurste deel wel: het opsplitsen van een toets naar wat er per vraag en per leerling misging, en dat op klasniveau zichtbaar maken. Dat is precies het werk waar docenten geen avonden meer voor hebben en dat daarom achterwege blijft. De beslissing wat je met dat beeld doet, blijft mensenwerk. Wat AI niet kan overnemen, is de keuze om de volgende les te veranderen.
Het onderscheid tussen formatief en summatief is niet ingewikkeld. Het is alleen duur. Zolang we doen alsof het gratis is, blijft het een woord in een document — en blijft de leerling zitten met een smiley waar informatie had moeten staan.